onsProat: D’r an met de lippe

Wanneer het precies was weet ik niet meer, maar het moet een jaar of 15 geleden zijn geweest. Toen begon ik bewust te ‘oefenen’ om echte volzinnen in het dialect te praten. En dat klonk helemaal nergens naar, maar ik wilde het gewoon leren. Bij ons thuis praatten mijn ouders altijd dialect. Dat wil zeggen; wél met elkaar, maar nooit met mij en mijn zusje. Een bewuste keuze: mijn ouders vonden het beter om ons met de Nederlandse taal groot te brengen – dat leerden we op school immers ook.

Maar hè, wij zijn Tukkers en hebben ons ‘eigen’ dialect. En als je het niet spreekt, is het verdomd lastig om het je eigen te maken. Helemaal op latere leeftijd. Dialect verstaan is écht iets anders dan dialect praten. Toegegeven: ik doe het vaker niet, dan wel. En als het me ook maar iets ongemakkelijk wordt, schakel ik automatisch weer over op Nederlands. Maar ik dénk dan nog wel vaak in het dialect, zonder dat je er erg in hebt. En dan krijg je soms hilarische situaties.

Zo kan ik me nog een gesprek met mijn orthopeed herinneren. Hij vroeg me hoe het ging met mijn nieuwe heup (ik heb een plastic exemplaar gekregen vorig jaar). “Oh, ik ben goed te pas” zei ik. “Goed ‘te pas’?” zei hij met klemtoon op “te pas”, “maar zoveel mag u er nog helemaal niet mee lopen hoor!”.  Eh… ja. Dat dus.

Het valt me op dat mensen van mijn generatie en jonger geen of weinig dialect meer praten. Ze zijn er gewoon niet voor te porren, zo lijkt het. Oké, woordjes of deelzinnen lukken vaak nog wel. Maar hele gesprekken? Vergeet het maar. En dan vraag ik me af: is het nou “niet kunnen”, “niet willen” of “niet durven”? Of een combinatie van dit alles? Wat ik dan wél weer vaker hoor, bijvoorbeeld tijdens werk, is een gekunstelde “Gooische r”: een poging om het accent proberen te verbloemen. Waarom, mensen? Waarom? Ik irriteer me er echt mateloos aan en daarnaast klinkt het ook nog eens naadje. Je blijft horen dat je uit het oosten des lands komt hoor. Verloochen je afkomst niet!

Wat het ook is waarom men geen dialect spreekt: ik vind het gewoon zonde. De “swipe-generatie” (zo noem ik de met Instagram-Facebook-Snapchat opgroeiende kids van tegenwoordig) zie ik over een paar jaar al helemáál geen dialect praten. Laat staan de basisschoolkinderen. En zo sterft het heel langzaam uit.

Het zou toch zonde zijn als zij straks niet meer weten wat dialect (praten) is? Dat ze gezegden, spreuken en verhalen in het dialect, alleen nog maar tegenkomen in geschiedenisboeken? Of de animatiefilmpjes van “de Gladjakkers” op YouTube wel heel gaaf vinden, maar niet snappen wat de uitdrukkingen nou eigenlijk betekenen?

Het heeft echt voordelen als je dialect kunt praten. Het verbroedert, geeft herkenning, het roept een gevoel van trots op – bij mij althans. Trots op waar je vandaan komt. Het is iets ‘van hier en van ons’. Dus: papa’s, mama’s, oma’s en opa’s. Probeer gewoon eens een maand lang dialect te praten met jullie (klein)kind(eren). Het wordt vanzelf leuk, echt waar.

Waar wachten jullie nog op? D’r an met de lippe! (en ja kids, da’s ook Twents, zoek maar op).

’N onmeunig mooie zundag,

Renske