onsProat: Stront aan de knikker

Het seizoen is “los”. Tractoren met drijfmest injectoren rijden af en aan. Beide hebben imposante afmetingen. Ze passen niet meer door een weide inrit van een hobby boertje. Injecteren vermindert de uitspoeling van mest en ammoniak vervluchtiging en het is tijdbesparend omdat de mest nadien niet ondergewerkt hoeft te worden. Bovendien – niet onbelangrijk – zou er minder stankoverlast zijn. Het beeld van de giertank in de wei met een soort sproeiende regenboog van vloeibare mest is verleden tijd.

Ik heb er volkomen begrip voor dat het moet gebeuren. En ik ben me ervan bewust dat agrariërs vanwege de mestwetgeving – net als door vele andere wetten die hun bedrijf raken – sterk aan banden worden gelegd. Ik kan me voorstellen dat het hun zelfstandigheid en daarmee hun werkplezier beperkt. Ondertussen kunnen we onze ogen niet kunnen sluiten voor de gevolgen op lange termijn en voor de generaties na ons. Dus ongelimiteerd mest produceren en daarna de bodem ermee verzadigen is niet zo duurzaam gedacht.

De geur van mest is wel een dingetje voor mij. Stel je voor: het is één van de eerste stralende dagen in het vroege voorjaar. Ik heb net een vrije dag en wil flink uitpakken door de was buiten te hangen, bedden te luchten en alles te luchten wat moeilijk te wassen is maar wel fris moet worden. Het spul hangt allemaal buiten, bij ons buitenaf op de hoeve, op de hele lange waslijn waar ik zo blij mee ben.

En daar komt de injector aanrijden. Het lijkt alsof de machine mij uitlacht. Er is voor mij geen “griep’n meer an” want de uitdagende lachebek met zijn tientallen armen werkt snel en heeft de mest al in de bodem voordat ik de dekbed overtrekken binnen heb. Gevolg: ’s avonds lig je in bed en het ruikt alsof je 100 scheten hebt gelaten terwijl je buikgriep hebt. Het blijft ook zo ruiken tot je opnieuw gewassen hebt en noodgedwongen de droger gebruikt. Als ik het overhemd strijk, waarvan ik gedacht heb dat het nog wel meevalt en dat die niet stinkt, komt mij direct een penetrante geur in de neus, die mij doet besluiten het kledingstuk acuut weer in de machine te gooien.

De uitspraak “dat moet je voor lief nemen als je buitenaf woont” gaat niet helemaal op. De uitbreiding van bebouwing rondom de steden maakt dat er ook te bemesten percelen in bebouwde kernen liggen. We ruiken het allemaal. In de afgelopen week werd de brandweer meerdere keren gealarmeerd omdat melders de ammoniak stank in hun omgeving niet vertrouwden. Ongetwijfeld naar aanleiding van de persberichten over de explosie in een stal in Markelo vorig weekend. Het kostte 14 koeien het leven en heeft gelukkig geen menselijke slachtoffers gemaakt. Wel is er stront aan de knikker met betrekking tot de discussie over emissie arme stalsystemen. Op Tweede Kamer niveau.

Goed dat hier aandacht aan wordt geschonken; jammer dat deze dramatische gebeurtenis de politiek scherp moet stellen en er niet eerder antwoord is gekomen op vragen die reeds geruime tijd over dit onderwerp speelden. Het relativeert mijn stinkende was. Waar heb ik het over.

In een geheel ander kader heb ik in de afgelopen week een presentatie bijgewoond die handelde over cultuurontwikkeling in Nederland van 1945 tot nu. Via familiecultuur vlak na de oorlog en regelcultuur vanaf 1995 zijn we in de communicatieve zelfsturing terecht gekomen. Kort door de bocht was de samenvatting dat we door de jaren heen afwisselend  een cultuur hebben van óf alles zelf regelen óf voor elke activiteit een regel opstellen. Herkenbaar voor mij.  Ik werk in de zorg maar ik weet van medewerkers in andere bedrijfstakken dat het daar niet veel beter is: bureaucratie is doorgeslagen. Het gaat totaal voorbij aan de essentie. Die lijkt simpel. Signaleren dat er iets gedaan moet worden, taak uitvoeren en door naar de volgende. Helaas besteden we onze tijd aan randzaken die ver van het doel staan. We hebben ons te houden aan oerwouden vol protocollen en wetten. Als je je gazon wilt maaien moet je het aanvragen. Mogelijk wordt het verboden want moet het fluitekruid groeien. Of de strontvlieg – uitgeroepen tot symbool van gezond boerenlandschap – moet er neer kunnen strijken. Ook digitaal bestaat een doolhof van formularium. Wil je snel een pas aanvragen? Je bent zo een half uur verder. Met de Hofpas valt het nog mee. Ik ben er snel uit welke vereniging ik wil steunen. Als moeder van vier jongens was Sportclub Markelo voor mij niet weg te denken. Twee ervan spelen er nog steeds. Mijn kleinzoon heeft gisteren zijn eerste stappen op de velden aan de Endemansdijk gezet. Het zet mij aan het denken hoe de geschiedenis zich herhaalt in 30 jaar. Familiecultuur. Generaties lang speelt Sportclub ook sociaal een grote rol in Markelo. De huisvesting en de velden zijn met hun tijd meegegaan. Vooral door het werk van de vele vrijwilligers. Veel werk verzet door “gewoon” te doen. Door het gezellig te maken. Nadat veel werk verzet is, samen een pilsje drinken op het mooie resultaat. Altijd zijn er kerels bereid trainer, leider of scheidsrechter te zijn. Sponsoren werden gestrikt. Soccerhal neergezet.

De wereld zou moeten draaien zoals Sportclub Markelo. Gewoon, gezellig, met elkaar snel en goed iets moois neerzetten. Niet wars van regels, maar alleen de hoognodige. Duurzaam en toekomstbestendig. Praktisch. Plezier voorop stellen. Gewoon mooi simpel.

Zelfsturing zonder teveel regels. Ik weet zeker dat het de beste resultaten zal opleveren. Denken in mogelijkheden en die met een stel enthousiastelingen uitvoeren. Zoals het vogelschieten tijdens het Dorpsfeest op een andere plek organiseren.

Dat is wat ik bedoel :  gewoon DOEN!

Ik wens jullie een fijne stankvrije zondag,

Diny