Had ik al eens verteld dat ik hier in Denemarken een stalker had?
Niet zo eentje uit een spannende film, met een hoody verscholen in de bosjes. Nee, de mijne kwam in een grote bus, met zijn rolstoel en droeg altijd een rood jasje en had een onstilbare behoefte aan melk.
Het begon allemaal heel onschuldig. In de Facebookgroep van Bylderup-Bov verscheen een oproepje: of iemand verse melk had voor een man uit het dorp. Niemand had nog gereageerd. Dus ik stuurde een berichtje dat hij wel wat bij ons mocht komen halen. Dankbaar kreeg ik een berichtje terug.
Nog diezelfde week reed er een enorme bus ons erf op. Daaruit werd een man in een rolstoel gereden. Zo’n verschijning waar je automatisch naar blijft kijken. Dat was hem. De man met het rode jasje, die we in het dorp ook weleens op zijn scootmobiel zagen rondrijden, zomer of winter, het maakte hem niets uit.
Hij had twee kannen van tweeënhalve liter bij zich. Melk was gezond, zei hij. Hij kon niet zonder. Twee tot drie keer per week kwam hij vijf liter halen. En hij vertelde. Over zijn leven. Dat hij niemand meer had. Dat zijn ouders hem verstoten hadden. Dat werken nooit was gelukt. Maar sinds hij Kopenhagen voor Bylderup-Bov had verruild hij zich beterde voelde. Ik vond het zielig. Dus ik luisterde. Achteraf gezien iets te lang. Zijn verhalen hadden namelijk altijd dezelfde ondertoon: iedereen was slecht. Niemand deugde. Maar ik was blijkbaar ineens geweldig. En wie geweldig is, krijgt berichtjes. Heel veel sms-berichtjes. Over de politiek. Over sport. Over mensen die hem dwarszaten. Over alles waar ik niks mee kon. Ik vroeg hem een paar keer vriendelijk of hij dat niet meer wilde doen. Dat hielp. Even.
Toen werd het winter. Sneeuw. Taxi’s die moeilijk deden. En hij had melk nodig. Dus zei ik: ik breng het wel even langs. Ik reed toch regelmatig naar het dorp. Dat was het moment waarop ik dacht: dit ga ik niet nog eens doen. Zijn woning rook zo penetrant dat ik bij binnenkomst al spijt had. Bijna kokhalzend moest ik de melk in zijn kannen gieten en in de koelkast zetten. In die koelkast lag zoveel eten dat wij er met ons hele gezin een week van hadden kunnen leven. Hij at het in zijn eentje op.
Vanaf dat moment begon het echte gebel. Hij belde en belde. En klaagde. Altijd over andere mensen. Iedereen was een zwijn, volgens hem. Ik nam steeds minder op. Mijn telefoon stond vaker op stil dan aan. Ik kreeg het steeds meer op de zenuwen van die engerd. Ondertussen waren wij er al achter dat deze persoon allesbehalve geliefd was in het dorp. Er was eigenlijk niemand die hem niet kende.
Ik begreep pas waarom toen ik zijn Facebookpagina zag. Daar had hij al half het dorp afgebrand: de supermarkt, het dorpsfeest, de kerk. Altijd ging het over eten. Deze man had echt een obsessie!
En toen, op een dag, barstte het echt los.
Ik zat op Deenseles toen ik zag dat hij me wel tien keer had gebeld. Er stonden ook meerdere sms’jes. Dit keer niet over het nieuws, maar vooral over Frank. Hij werd uitgemaakt voor crimineel, oplichter en weet ik wat nog meer. Volgens hem had Frank zijn melkkannetjes verwisseld en hem voor vijf liter laten betalen terwijl hij toch echt minder had gekregen. Alsof wij hebben een voorraad melkkannetjes bij onze tank staan!
Maar in zijn hoofd was het een complot. Wij waren eerlijk gezegd vooral opgelucht. Hij had een nieuw doelwit gevonden. Want daar was hij goed in: iemand het leven zuur maken.
Totdat we een paar weken later een bericht kregen in onze E-Boks. (De Deense DigiD)
We waren aangegeven wegens illegale melkhandel. En zonder enige twijfel kon dit maar door een persoon gedaan zijn. Maar hij had al die tijd keurig betaald. En dat stond ook keurig geregistreerd. Niks illegaals aan. Het is duidelijk dat dit een man is met veel tijd, veel boosheid en een hoofd vol wantrouwen.
En soms vraag ik me af: hoeveel energie moet het kosten om zo te leven? Altijd strijd. Altijd tegen de wereld.
Onze melk gaat tegenwoordig enkel en alleen naar Arla.
Geen Facebookverkoop meer. Geen kannetjes drama.
En vooral: geen mannen in rode jasjes.
Mooie zondag
Debby